Skip to content

Categories:

Marai

Gloed

‘De generaal ging naar zijn kamer en liep naar de met groen vilt beklede hoge, smalle lessenaar, waarop een pen en inkt klaarlagen, evenals op de milimeter precies op elkaar gestapelde schriften met een kaft van zwart-wit geblokt wasdoek, zoals de schriften waar schoolkinderen hun opstellen in schrijven. Midden op de lessenaar stond een lamp met een groene kap; hij stak hem aan, want het was donker in de kamer. Achter de gesloten jaloezieën vlamde in de verdorde, verschroeide en uitgedroogde tuin de zomer voor de laatste keer op met de razernij van een brandstichter die in zijn grenzeloze woede het gewas in brand steekt, voordat hij de wijde wereld in trekt. De generaal haalde de brief tevoorschijn, streek het vel zorgvuldig glad en las bij het sterke licht, met zijn bril op zijn neus, nog een keer de korte, rechte regels, waarvan de letters met lange halen geschreven waren. Met zijn handen gevouwen op zijn rug stond hij te lezen.’ Sándor Márai, Gloed

(FB 30/7/2016)

De meeuw 

De hoofdpersoon in de roman met de Tsjechoviaanse titel ‘De meeuw’ (1943) van Sandor Márai (1900-1989), een hoge ambtenaar op een Hongaars ministerie, heeft net een document afgerond, dat de bepalend is voor de toekomst van Hongarije en de oorlogsmachinerie in werking kan zetten.

Juist op deze beslissende dag krijgt hij bezoek van een Finse vrouw, die hem ertoe aan wil zetten om haar een visum te verschaffen. Maar de man is van slag, omdat de hem ombekende vrouw sprekend lijkt op de vrouw, die hij liefhad en die zelfmoord heeft gepleegd.

Hij vraagt zich af wat de voorzienigheid met hem wil en hij nodigt haar nog diezelfde avond uit om met hem naar de opera te gaan en na afloop bij hem thuis. Als ze over de brug naar Pest lopen, zien ze hoe de meeuwen uit verrre streken hiernaartoe zijn getrokken voor voedsel en onderdak. En de meeuwen staan symbool voor de vrouw die ook van verre is gekomen naar Boedapest om er haar bestaan te vinden.

In de prachtige dialogen die zich als in een Griekse tragedie lijken af te spelen in het decor van een amfitheater komen we dichterbij de antwoorden op vragen over lot, bestemming, oorlog, onvermijdelijkheid, de persona, eenzaamheid en liefde.

Uiteindelijk vertrekt de vrouw in de nacht en blijft de laatste vraag onbeantwoord: ‘Hij doet het raam dicht. Gedesoriënteerd staat hij in de donkere kamer. Hij heeft zich nog nooit zo alleen gevoeld. Maar tegelijkertijd voelt hij de hand die de vlucht van de meeuwen en de gang van de mensen stuurt, op zijn schouder rusten. Hij loopt door de kamer als een blinde, maar het is alsof iemand hem leidt.’

(FB 24/7/2016)

‘Zorgvuldig schroefde hij de ebonieten dop op de vulpen, met heel trage en behoedzame bewegingen, ongeveer zoals een chirurg zijn scherpe instrumenten ter hand neemt of een scheikundige de reageerbuis die leven en dood bevat of een gif dat hele dorpen uitroeit. Sinds enige tijd waren zijn bewegingen zo opvallend behoedzaam. Zijn vingers, even bedreven in het pianospel en het schrijven als in het schermen en het tennisspel, lange, benige vingers, rustten nu lijdzaam, haast uitgeput op het bureaublad, alsof ze bijkwamen van een duel, een mannelijk treffen. Zoals kunstenaarshanden rusten als ze het laatste woord hebben geschreven, de laatste penseelstreek hebben aangebracht of op de piano het slotakkoord hebben aangeslagen, in de wetenschap dat er iets is volbracht, iets eenmaligs dat zich nooit meer zal herhalen.’ Sándor Mária , De meeuw

(FB 23/7/2016)