Skip to content

Categories:

Szymborska

Wislawa Szymborska

Waarom fascineren de gedichten van Szymborska mij en heb ik zelfs haar biografie herlezen? Is het omdat ze de Nobelprijs voor de Literatuur heeft gewonnen? Is het omdat ze als vrouw deze onderscheiding heeft gekregen? Ik wist het weer toen ik het gedicht ‘Thuiskomen’ herlas uit de bundel ‘Einde en begin’. Zij is groots in het beschrijven van kleinmenselijke drama’s.

Thuiskomen

Hij kwam thuis. Zei niets.
Het was echter duidelijk dat hem iets naars was overkomen.
Hij kroop met zijn kleren aan in bed.
Verborg zijn hoofd onder de deken.
Trok zijn knieën op.
Hij is rond de veertig, maar niet op dit ogenblijk.
Hij bestaat, maar niet meer dan in zijn moeders buik,
vele huiden ver, in een beschuttend duister.
Morgen moet hij een lezing houden over homeostase
in de metagalactische astronautiek.
Nu ligt hij ineengedoken, slaapt.

Wislawa Szymborska [FB 6/2/2016]


Enkele mensen

‘Enkele mensen op de vlucht voor enkele mensen.
In een of ander land onder de zon
en enige wolken

Ze laten achter wat van hen is, een of ander alles,
bezaaide velden, een aantal kippen en honden,
spiegeltjes waarin nu het vuur zich spiegelt.

Ze hebben kruiken en bundels op hun rug,
elke dag leger, elke dag zwaarder.

In stilte voltrekt zich iemands niet meer verder kunnen,
onder kabaal iemands wegrissen van iemands brood
en iemands schudden aan zijn dode kind.’

(..)

uit: Wislawa Szymborska, Het moment [FB 6/2/2016]

Gesprek met een steen

Ik klop op de deur van een steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik wil in je binnenste gaan,
overal rondkijken,
met jou mijn longen vullen.’

‘Ga weg,’ zegt de steen.
Ik ben hermetisch gesloten.
Zelfs aan stukken geslagen
zullen we hermetisch gesloten blijven.
Zelfs fijngewreven tot zand
zullen we niemand binnenlaten.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik kom uit louter nieuwsgierigheid
die alleen het leven kan bevredigen.
Ik ben van plan door je paleis te wandelen
en daarna nog blad en waterdruppel te bezoeken.
Ik heb niet veel tijd voor al die dingen.
Mijn sterfelijkheid hoort je te ontroeren.’

‘Ik ben van steen,’ zegt de steen,
‘en moet daarom mijn ernst beslist bewaren.
Ga weg vanhier.
Ik heb geen lachspieren.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik heb gehoord dat binnen grote lege zalen zijn, onbezichtigd en vruchteloos mooi,
verlaten en zonder echo van enige voetstap.
Geef toe dat je er zelf niet veel van weet.’

‘Ja, grote en lege zalen,’ zegt de steen,
‘daar is alleen geen plaats.
Mooi, wellicht, maar dat gaat de smaak
van jouw gebrekkige zintuigen te buiten.
Je kunt me leren kennen, maar ervaren nooit.
Mijn hele oppervlak keer ik jou toe,
met mijn hele binnenste lig ik afgewend.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik zoek in jou geen toevlucht voor altijd.
Ik ben niet ongelukkig.
Ik ben niet dakloos.
Mijn wereld is een terugkeer waard.
Ik kom en ga met lege handen.
En als bewijs dat ik er werkelijk ben geweest,
kan ik niets anders laten zien dan woorden
die niemand zal geloven.’

‘Je komt er niet in,’ zegt de steen.
‘Je mist de zin om deel te nemen.
En er is niets wat dat vervangen kan.
Zelfs een tot alziendheid aangescherpte blik
zal je zonder deze eigenschap niets baten.
Je komt er niet in, weet niets van de zin om deel te nemen,
bezit daarvan hoogstens een kiem, de verbeelding.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.
Ik kan niet tweeduizend eeuwen wachten
voor ik in jouw huis mag komen.’

‘Als je mij niet gelooft,’ zegt de steen,
‘vraag dan het blad, je zult hetzelfde horen.
Vraag het de waterdruppel, zijn antwoord luidt net zo. Vraag het ten slotte een haar op je eigen hoofd.
Een lach zwelt in me aan, een reusachtige lach,
maar ik weet niet hoe ik hem moet lachen.’

Ik klop op de deur van de steen.
‘Ik ben het, doe open.’

‘Ik heb geen deur,’ zegt de steen.

Wislawa Szymborska (vert. Gerard Rasch)

Freedom: Gazing at the Clouds

The End and the Beginning

“After every war
someone has to clean up.
Things won’t
straighten themselves up, after all.

Someone has to push the rubble
to the side of the road,
so the corpse-filled wagons
can pass.

Someone has to get mired
in scum and ashes,
sofa springs,
splintered glass,
and bloody rags.

Someone has to drag in a girder
to prop up a wall.
Someone has to glaze a window,
rehang a door.

Photogenic it’s not,
and takes years.
All the cameras have left
for another war.

We’ll need the bridges back,
and new railway stations.
Sleeves will go ragged
from rolling them up.

Someone, broom in hand,
still recalls the way it was.
Someone else listens
and nods with unsevered head.
But already there are those nearby
starting to mill about
who will find it dull.

From out of the bushes
sometimes someone still unearths
rusted-out arguments
and carries them to the garbage pile.

Those who knew
what was going on here
must make way for
those who know little.
And less than little.
And finally as little as nothing.

In the grass that has overgrown
causes and effects,
someone must be stretched out
blade of grass in his mouth
gazing at the clouds.

Wislawa Szymborska